```````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````

De Familie Mummelgraag

en

Buurman Roodborst

 'T was zulk een gure regenzomer, dat 't eigenlijk niet aanging onder den blote hemel te wonen, als bij de hazen gewoonte is.

Toen er twee kleintjes gestorven waren van kou en ellende en de andere kinderen er ook erg pips begonnen uit te zien, zei moeder Mummelgraag; "Dat gaat zo niet langer, man.

Jij loopt krom van de rheumatiek en ik ben aldoor zo nat, dat ik de kinderen niet droog kan houden.

We moeten ergens onder een dak zien te komen.

Ik weet wel een verlaten konijnenhol deelde vader mee, dat op het ongenblik te huur staat, zullen we er maar dadelijk heen gaan? Moeder vond 't best, want zo kon 't heus niet langer.

Gelukkig kon de familie Mummelgraag 't huis voor een matigen prijs huren en in een paar minuten was de verhuizing gebeurd.

Nou kon 't buiten gieten dagen en nachten, de hazen familie zat droog en warm zo woonden ze nu al maanden achteréén in hun heerlijk hol, en intussen was 't winter geworden.

Mummelgraag met vrouw en kinderen, woonden dus in 't hazenhol.

'T was een aardig zindlijk nestje, maar een beetje overvol. 

Want liefs zeven hazenjongen sprongen er met d'ouders rond.

Leiden er 'n gezellig leven, allen lustig en gezond.

Op een morgen sprak mevrouwtje tot haar man

Zeg Munnelgraag 'k wou strakjes naar de markt toe, 'k heb geen eten voor vandaag.

Enkel nog drie voze knollen, dat is veel te weinig hoor.

En ook heel geen Zondagseten, neen maar daar bedank ik voor.

Nou, dat kon de heer Mummelgraag zich best begrijpen, maar je krijgt niets voor niets, dus . . .

Heb je geld? vroeg Vader dadelijk en Moeder sprak; Wat dacht je dan? 'k heb wel honderd beukennootjes, nou wat zeg je daar wel van?

Prachtig vrouw, prees Vader blij en toen fluisterde hij stil; Zeg wat ga je zoal kopen?

Schik 't maar alles, als jij wil.

Nou ik dacht om te beginnen, malse kool ...die draag jij he?

Kleren ...speelgoed voor de kinderen 'k breng hun ook wat lekkers mee.

Steiloor 't oudste zoontje had woord voor woord verstaan.

En o hij wou zo verschriklijk graag ook naar de jaarmarkt gaan.

Daar klonk zijn vleiend stemmetje; Moes mag ik mee met u?

'K ben noot nog op de markt geweest, toe Moeder mag ik nu?

Voor mijn verjaardag, zei u of weet u dat niet meer?

Mocht 'k een presentje kiezen en ik wil een Teddy-beer.

Moeder schrok heus van zulk een onbescheiden wens en sprak;

Maar kind zo beer is schriklijk duur,

En veel geld heb ik niet.

En toen steiloor in tranen uitbarstte, vervolgde ze;

Kom huil nou niet, 'k zal wel zien, dat er wat overschiet.

 En nu kinderen vlug voortgemaakt, drong mevrouw Mummelgraag 't is al half twee en zich tot haar oudste dochter wendend, knorde ze; Teut toch niet zo, Pemietje, en houd Zilvergrijsje niet aan één oor vast bij 't wassen, dat doet pijn he gijsje?

Kom hier schatje dan zal Moeder je verder helpen.

Zilvergrijsje was moeders liefste kind, en dat gunden de anderen 't kleine meisje wel want ze was de allerjongste.

Nauwlijks waren alle kinderen klaar of Moeder vond dat ze maar gaan moesten des te eerder waren ze weer thuis.

Ja 't is wel vroeg, vond Vader ook doch laten we maar gaan.

'T sneeuwt buiten en 't is koud, trek warme kleren aan en neem een doek mee lieve vrouw.

Want ander vat je vast weer een kou.

Steiloor was 't eerste klaar en ging vlug naar buiten 't sneeuwde flink maar op 'n tak zat Roodborst al te fluiten.

Wij gaan naar de jaarmarkt toe, buurman vlieg je mee?

Zo vroeg Steiloor, maar zijn buur schudde treurig van nee.

'K kan niet vliegen, jongeheer wnat een vleugel doet me zeer.

'K heb ook hinder van mijn maag maar miereneieren lust ik graag.

Wil je die dus voor mij halen? Later zal ik wel betalen.

En wil je aan je Vader vragen, of Pemie me soms mag plagen?

Laatst sprong ze hoog naar den tak waarop ik net te zingen zat.

Dat 'k op dat ogenblik bijna omviel van den schrik.

En Steiloor boog beleefd en sprak; 'k zal alles goed bestellen.

De miereneieren breng ik mee en Vader zal 'k vertellen wat stoute zus Pemieltje dee.

Dat kind laat niemand ooit met vree.

Steiloor stapte 't hol weer binnen en vertelde, wat buurman Roodborst hem verzocht had en ook, dat hij zich ernstig over Pemietje had beklaagd.

Natuurlijk zullen we met plezier de miereneieren meebrengen, verzekerde Vader.

Je moet voor je buren wat over hebben en toen vervolgde hij met strenge stem; "Kom eens dadelijk hier, Piemietje" .....

Pemietje werd nu flink beknord, Ze kreeg 'n klap om de oren van Vader, die heel boos nog zei:

Gedraag je naar behoren, plaag nooit een dier, da's heel verkeerd van jongs aan heb 'k je dat geleerd.

Pemietje snufte bedroef: 't was maar spelen Vader.

"Kom, sprak mama, kus Vader af, wees 'n gehoorzaam kind, ...

We moeten nu toch heusjes gaan, hoe naar ik 't ook vind om van de kleintjes af te gaan.

En Moeder droogde stil een traan.

Ze kuste allen goeden dag, al haar lieve kinderen.

Wipstaart, Hoogsprong, Buitelaar, Moeder vond 't toch zo naar 't laatst kleine Zilvergrijsje en Roodborst zong 't afscheidswijsje.

De kinderen verdrongen zich aan de ingang van 't hol en wuifden met hun kleine pootjes; Vaarwel! Vader en Moeder terug, wat ze maar konden.

Steiloor had er geen tijd voor.

Voort stapte nu 't hazengezin, de sneeuw lag hoog je zakte er in.

Steiloor viel en sprong weer op en stond telkens op zijn kop.

Tot Vader sprak; Kind hou toch op je maak je moe voor niemendal en denk niet dat ik je dragen zal.

Als je niet meer voort kunt, moet je maar achterblijven en aan de weg zitten wachten tot Moeder en ik straks weer oppikken.

Maar daarin had Steiloor heel geen zin en liep dus verder heel gedwee met Vader en met Moeder mee.

Och, och, wat is de weg toch lang! Zo zuchte Moeder, 'k ben zo bang als 'k denk aan al die kleintjes thuis ze zijn zo heel alleen in huis.

Doch Vader sprak; Vrouw houd je kalm ze zitten thuis tevree en warm.

Pemietje zal goed voor ze zorgen en Roodborst vroeg 'k 't ook vanmorgen.

Dat is me heus een pak van 't Hart riep Moeder blij en op de mart kunnen we nu op ons dooie gemak kopen en hoeven ons niet buiten adem te lopen

Eindelijk kwam de markt in 't zicht overal brande een zee van licht.

'T was aardig vol, de familie moest dringen om zich door de menigt heen te wringen.

Een mens of kind, dat hier verdwaald was, zou gek hebben opgekeken want de koopsters en verkoopsters op deze markt waren allen dieren en vreemdsoortige kleine wezens, die je nergens ziet dan in kabouterland.

Vooraan stond sinjeur Ooievaar, dat was een heer van zessen klaar.

Te koop had hij muizen en kikkers en vis omdat niets in zijn oog zo verrukkelijk is.

Doch de familie Mummelgraag verdroeg muizen noch kikkers in de maag ze liepen voorbij in vluggen draf en stevenden op juffrouw Kuifstaart af.

Die had mooie miereneieren, Moeder kocht daarvan een zak en betaalde twintig beukennoten en Steiloor droeg 't grote pak.

Nu ging 't naar de groentenhoek, daar stond mevrouw konijn.

Sappige kool lag er uitgestald 't rook er zo fris en zo fijn.

Steiloor watertande naar een stukje blad maar vragen nee dat dee Steiloor niet en juist daarom kreeg hij wat.

En netjes als die Steiloor is hij bedankte vrouw konijn!

Zijn Moeder dacht bijzonder blij; Wat doet 't jong dat fijn.

Ja hoor, Moeder keek heus trots naar haar oudsten zoon.

Ze vond 't ook zo aardig dat hij nog geen enkele keer om de Teddy beer had gevraagd en die wou hij toch zo zielsgraag.

En als 't een beetje kon, zou hij hem krijgen ook, die lieve jongen.

Voor zich zelf kocht Moeder dan maar geen winterhoed de oude kon nog best een poostje mee.

Maar nu moest ze eerst haar groenten inslaan.

Moeder had al gauw gevonden een kool haar juist van pas.

En bond die vlug om Vader heen zo als afgesproken was.

Voor Vader kocht ze 'n winterpeen.

Één doekje voor Pemietje, voor Steiloor heus een Teddy beer, voor ieder thuis een bietje.

Maar aan zich zelf dacht Moeder niet.

Doch Vader sloop stil weg.

Hij stapte op vrouwtje Eekhoorn af, die wonde bij de heg.

En kocht een beeldig hoedje.

Fluweelig en donker blauw, een echt mooi hazenhoedje voor zijn beminde vrouw.

Voor moeders staande ooren waren er twee spleten in en van boven keurig dicht gemaakt.

Hij was vast wel naar haar zin.

Die hoed zou Moeder zeer bekoren want ze had last van winterooren.

Wat was er op de jaarmarkt veel te zien en te kopen! Witte en door en door gekleurde kaarsjes bij de heer Glimworm en vogelhuisjes en bekertjes van bladeren gemaakt, waaraan de heer Specht de hele winter aan had gewerkt.

Zijn hamertjes hadden aldoor lustig door t bos weerklonken.

De familie Mummelgraag hield zich bij die kooplui niet lang op ze moesten naar de hoek.

Waar de kabouters stonden 't krioelde daar van die kleine ventjes die met luide schrille stemmetjes hun waren aanprezen.

Moeder kocht er een prachtig rode broek voor Snuffelneus, die had hij brood nodig.

In de lekkerskraam van baas Zoetemond kreeg moeder voor haar laatste geld een zak vol suikerballetjes.

Maar nou was de beurs dan ook schoon leeg.

Van al 't geloop en drentelen werd de familie moe en stapten met zijn drietjes dus op een eethuis toe.

vader had gelukkig nog wat geld en bestelde bij 't kaboutervrouwtje; Wat je maar lust, drie flinke porties.

O, o, hoe smaakte 't warme maal, 't is niet te zeggen hoe!

Die posterol met appelstip en rozekooltjes toe.

Éénig om met Vader en Moeder uit te zijn dacht Steiloor terwijl hij een heerlijk glaasje hazenwijn, warm water met veel suiker, leeg lebberde.

En nou met spoed naar huis toe zo maande vader aan 't is al laat, en we moeten ver en ginder zie ik al een ster.

'T hevig sneeuwen scheen gedaan dat stond de familie aan, nu bleven ze van boven droog al lag de sneeuw verbazend hoog.

Moeder rende haast naar huis, ze verlangde zo naar huis.

Om de kindjes weer te zien, Zilvergrijsje 't meest misschien

'T hoekje om dan zijn we thuis, zo sprak Vader en ons huis .....

Lieve Hemel ! al zijn leven !

Vrouw en Kind waar is ons huis gebleven ?

Geheel ontdaan bracht Vader zijn poot aan de mond, wanhopig keek Moeder rond.

Steiloor liet van schrik zijn Teddy beer langs de grond sleepen.

Ach 't hol, waar of 't lag ?

Sneeuw, slechts sneeuw waar of je zag.

Moeder snikte in haar handjes en Steiloor knerste op de tandjes.

Maar op eens ....klonk daar geen lied ?

'T was Roodborst, die 't horen liet op een tak aan de overzijde.

Kweelde ie lustigjes en blij en bij 't flauw en weiflend licht knipte hij 't ééne oogje dicht.

Buurman ach, waar is ons huis ?

Klaagde Moeder, wij zijn thuis, en zien nergens ...

Stil, mevrouw sprak heer Roodborst, 'k help u gauw.

Buurman, snikte moeder zacht 'k heb de eieren meegebracht.

Dank, riep Roodborst, dat is goed ook de kinderen waren zoet.

Ze hebben lief hier rondgespeeld en geen één heeft me verveeld.

Door naar de takken op te springen en mij te hinderen met zingen.

Daarvoor wil ik u belonen en u nu een wonder tonen.

Steiloor zag een beetje minachtend buurman Roodborst's kant uit.

Hoe kon zo uk nou helpen ?

Maar of die Steiloor al gauw bedremmeld op zijn hazenneus keek.

Want een schellen kreet liet Roodborst horen.

En ...daar stormde 't naar voren, van links naar rechts, van elken kant 't volk uit heel kabouterland.

De hoofdman fluisterde even met Roodborst en zette toen een teken in de sneeuw op de plek hem aangewezen.

Daarop sprongen de kabouters toe.

Men zag ze lopen, rennen, draven, dadelijk vingen ze aan te graven.

De sneeuw die vloog in wolken op, onder spade en onder schop.

Op de plek waar 't teken stond groeven en spitten ze in 't rond.

O, wat hadden ze een haast ...

Mummelgraag keek blij verbaasd, na vijf minuten nog niet vol, zag men de ingang van 't hol.

Toen juichte en lachte de hele hazenfamilie, zodat hun vooruitstaande tandjes een heel eind te zien kwamen en buitelden van louter blijschap in de sneeuw rond.

Nauwelijks was de ingang vrij of gevlogen kwamen zij.

Ieder haasje fijn en klein wou 't eerst bij Moeder zijn, Zilvergrijs, 't lieve beest is ze allen voor geweest.

Nu was 't feest in 't hazenhol, eerst aten ze hun buikjes vol aan malse kool en zoete peen aan bietjes rood, voor ieder één.

Pemietje kreeg haar mooie doek en Snuffelneus zijn nieuwe broek.

Met Teddy beer mocht ieder spelen en Moeders hoed stond ...om te stelen.

Ten slotte sprak Vader nog een ernstig woordje.

Hoe dankbaar ze moesten wezen, nu ze door de hulp van braven Roodborst en de vriendelijke Kabouters, veilig en wel in hun eigen huis zaten en dat dit hun een aansporing moest zijn om op hun beurt voor alles en iedereen steeds goed en hulpvaardig te wezen.

Want wie goed doet, goed ontmoet.

Toen deelde Moeder suikerballetjes uit en ging 't hazengezin ter ruste.

De bedjes stonden lang gespreid 't was ver al over slapenstijd.

In hun slaap mummelden al de hazenbekjes nog 'n lange poos over de zoete balletjes ...

En op den tak zat Roodborst nog, hij had zijn maal genoten.

Nu kweelde hij zijn avondlied, dat zachtjes werd gefloten.

Sneeuw zweefde in ijle vlokjes neer en Roodborst zong 't wijsje keer op keer;

Wie goed toeluisterde kon uit zijn liedje horen;

Wie anderen helpt in nood en pijn,

Zal daardoor zelf gelukkig zijn.

Geeft liefde steeds in overvloed,

Dan is 't zoals 't wezen moet,

Want Liefde is het hoogste goed.

Einde

=========

 

Anno  14 september 2005

De familie Mummelgraag

Van Marie Ovink-Soer

Met veel liefde Digitaal gemaakt door

Nightwish_Whisper

 Ter nagedachtenis aan Marie Ovink-Soer

&

Bep Jordens

Rust zacht Marie & Bep

 † Marie 1860 - 1937 †

... Omdat het verhaaltje nooit verloren mag gaan.

````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````````